Geplaatst door: Nelleke op: mei 23, 2009
er is een reden waarom er meestal minstens drie weken tussen mijn bezoeken aan mijn ouders zit – zelfbehoud. Omdat er teveel confrontatie inzit. Omdat mijn gedachten teveel afdwalen onderweg. Maar soms kom je er gewoon niet onderuit. Vandaag was mijn zusje jarig. Opkomst: ouders, zusjes, twee oma’s en een opa. Zelfs mijn oom en tante die in dezelfde straat wonen waren er niet. Ik weet niet meer zo goed wat ik met grootouders aan moet. Het tijdperk waarin grootouders alles voor hun kleinkinderen zijn en andersom, is duidelijk afgesloten, als dat uberhaupt ooit bestaan heeft. Met mijn grootouders van vaders kant, heb ik weinig meer te delen. Gesprekken vallen na de ‘hoe is het met de studie’ vraag onvermijdelijk dood. Toen we met pasen met de hele familie een boottocht maakten, heb ik het nog geprobeerd, met mijn opa in contact te komen. Het enige wat ik bereikt heb was een ongemakkelijke stilte. Mijn oma merkte op toen ze opstond – anderhalf uur nadat ze binnen was gekomen – dat ze weer belangstelling in de kleinkinderen getoond hadden. Het klonk alsof het alleen voor de vorm is, hun eigen kleinkind bezoeken. Met mijn oma van moederskant is het een heel ander verhaal. Met haar heb ik wel een goede band. Ze was de oma van de logeerpartijen, en sinds ik het huis uit ben komt het niet zelden voor dat ik haar opbel en bij haar kom eten. Gesprekken met haar duren langer dan een halve minuut. Ik ben trouwens ook trots op haar, omdat ze iedere verjaardag bij ons die 30 kilometer heen en terug fietst, en drie verschillende vrijwilligersbaantjes heeft. Maar sinds juni vorig jaar moet ik regelmatig wat negatieve gedachtjes van me af zetten. Hoeveel weet ze? Ik weet dat ze het weet, mijn moeder heeft het haar al verteld toen ze zeventien was. Maar hoe was haar relatie met mijn opa, die 25 jaar dat hij daarna nog geleefd heeft? En ik weet dat ze weet dat het slecht gaat met mijn moeder en ze vorig jaar zelfs naar een psycholoog gegaan is, maar weet ze dat het hiermee te maken heeft? Er zijn zoveel vragen die ik niet durf te stellen. Ik was van plan om voor het eten weer weg te gaan, maar mijn vader had voor vanavond tortelini gekocht. Mijn lievelingseten. En hij had er extra goed opgelet dat het wel die met de kaasvulling waren, voor het geval ik mee zou eten. En tja, dat kon ik toch echt niet weerstaan. Het was dus al zeven uur dat ik in de bus stapte, richting huiswaarts.
Ik had mezelf beloofd tijdens de hele reis te studeren, en alleen in de bus voor me uit te staren. Maar toen ging het al grondig mis met de richting van mijn gedachten.
stel je eens voor, dat je erachter komt dat je opa je moeder v. heeft? Stel je eens voor dat je weet dat je moeder er dertig jaar later nog steeds wakker van ligt, en het nog steeds niet verwekt heeft? Hoe zou je je voelen, tegenover je moeder? Wat zou je van je opa denken?
In de trein pakte ik mijn studiezooi niet. Mijn gedachten hadden al gewonnen. Ik dacht weer aan de in memoriam over mijn opa, met niets dan lovende woorden. Dat hoort zo, bij een in memoriam, en hij zal voor het oog van zijn omgeving ongetwijfeld een prima man geweest zijn. Maar het voelde fout. Ik heb een paar blogs geleden nog gezegd dat ik hem niet kon haten, maar soms zou ik een kantje papier vol willen schrijven met ik haat je, ik haat je, ik haat je. Zelfs al zou ik het niet menen, ik zou willen dat ik het meende.
Ik zou willen dat ik eens kon gillen. Eens zien of het helpt, mijn frustraties op die manier te uiten. Maar gillen is not done, of ik nu in de trein ben, thuis, of ergens anders, er zijn altijd wel mensen binnen gehoorsafstand. En gillen is op een of andere manier niet geacepteerd in deze samenleving. Ik zou willen dat ik kon rennen. Zo hard kon rennen dat ik al mijn gedachten uit kon schakelen. Maar ik kan niet rennen. En fietsen helpt niet; ik heb het een maand geleden 13 en een half uur geprobeerd, maar het enige wat ik ermee bereikte was een week lang zadelpijn.
Ik moest weer denken aan de droom die ik een half jaar geleden gedroomd heb. Over de man voor wie ik probeerde te ontsnappen, maar wat niet lukte. De man die me wilde verkrachten, wat ook niet lukte. Maar ik kan zijn hand nog zo voelen op mijn borst, en ik voel me nog steeds vies als ik aan hem terugdenk. Het was maar een droom. Dromen waarvan de beelden maandenlang door je hoofd spoken zijn ook dromen; niets meer. Toch? Soms denk ik weleens dat ik nog altijd dingen voor mezelf verberg. Als een puist die je net hebt uitgeknepen, maar waarvan je voelt dat er nog meer inzit, waar je niet bij kan. Het is mijn moeder ook gelukt om de waarheid dertig jaar te ontkennen en te verbergen, hoe weet ik zeker dat ik niet hetzelfde doe? Maar wat verberg ik dan? En heeft het iets met die droom te maken? ’Laat het rusten, het is niet zonder reden dat je het vergeten bent.’ Dat komt uit een film, maar ik weet niet meer uit welke film. Een mooi citaat, waarnaar ik maar zal luisteren. Alsof ik uberhaupt weet waar ik het over heb.
Ik moet aan Mick denken, aan de keer dat hij mijn polsen beetpakte om zijn woorden kracht bij te zetten. Hij bedoelde er niks mee, en ik wist dat hij er niets mee bedoelde. Hij wilde alleen zijn zin krijgen. Maar een fractie van een seconde schoot er angst door me heen. Iemand die sterker dan mij was had me mijn bewegingsvrijheid afgenomen; al was het een vriend. (she knows how much control is worth /knows what a woman can lose /when her power to move /is taken away (andrea gibson))
In een helder moment pak ik toch een boek uit mijn tas. Geen studieboek, maar een boek uit de doos boeken die ik van mijn oom gehad heb en waar ik regelmatig een hand vol mee naar mijn kamer neem. Ik ben de poort van Paul Ferrini. Nooit van gehoord. Maar de flaptekst spreekt over liefdevolle poëtische taal die Jezus stem laat horen. Iemand beweert het zelfs als bijbel te bestuderen. Het klinkt als het perfecte boek voor dit moment, en ik begin te lezen. Het zijn korte stukjes van slechts een paar regels lang, verzen, gesorteerd per onderwerp. Maar in hoofstuk één bespringen mij al vragen, in hoofdstuk twee beginnen er seieuse alarmbellen te rinkelen, en in hoofdstuk drie weet ik het zeker. Dit is helemaal geen Christelijk boek; dit is puur vergif! Het verteld dat de mens even goed is als Jezus, en ook goddelijke is. Het gaat over innerlijke kracht en de stralen van jouw liefde. Je zult het maar geloven! Ik blijf doorlezen, tot ik bij de zin ‘zelfs een dodelijke ziekte, een verkrachting of moord kan door de kracht naar jouw liefde getransfoormeerd worden.’ afhaak. Zou de schrijver zichzelf geloven? Zou hij wel eens een dodelijke ziekte, verkrachting of moord van dichtbij hebben ervaren? Of kent hij de termen alleen uit het nieuws? Zou hij zelf weten waar hij het over heeft? Ik blader nog even door, maar kom tot de conclusie dat ik nog beter voor me uit kan staren, dan deze onzin lezen. Ik sms Paul: 150 kilometer spoor, met niets dan je eigen gedachten, kan soms nog schadelijker zijn dan een familiebezoek. Terwijl ik overstap denk ik na over wat ik net gesmsd heb. Waarom heb ik het woord schadelijk gebruikt?
Ik ga zitten in een alles behalve stille stiltecoupé. Ik lees Pauls antwoord: Een uitleg is te lang voor sms zeker? Ik hoop t binnenkort te horen op msn of mail me. Ik heb voor alsnog geen idee hoe ik dat zou moeten doen; niet overal bestaand woorden voor. Ik weet dat ik het tij nog kan keren. Als ik nu ga studeren houden misschien mijn gedachten op. Dat stond ook in het zelfhulpboek over depressie dat ik deze week gelezen heb: blijf bezig. (Ja, Nelleke heeft een zelfhulpboek gelezen, en nog wel over depressie. Ik zou het niet geloofd hebben als je het twee maanden geleden tegen me gezegd zou hebben, en ik kwam het boek per toeval tegen. En als iemand er me ooit naar zou vragen zou ik zeggen dat ik het alleen maar lees uit intresse, want ik bén niet depressief. Maakt het nog wat uit dat ik mijn eigen leugens niet meer geloof?) Maar in plaats daarvan zet ik mijn mp3speler harder. Als het volume rond de 5 is is het prima verstaanbaar, bij twaalf vind ik hem meestal extreem hard. Ik zet het volume op 22. Hard genoeg om doof te worden. Hard genoeg om de conductrice niet te horen; ze heeft me moeten aanstoten. Net niet hard genoeg om mijn gedachten niet meer te horen. Mijn muziek staat op shuflle, ik luister naar mika, simple plan, evanescence, tegan and sara, elly en rikkert, sons of korah, en het koor waar ik vorige week geweest ben. Af en toe zie ik mijn eigen gezicht in het raam, en valt het me op hoe erg mijn mondhoeken naar beneden staan. Ik staar naar een vliegtuig, en kijk hoe de zon onder gaat. fuck you zon, iedere keer als het donker wordt laat je ons in de steek. Op het moment dat er omgeroepen wordt welke treinhelft welke kant opgaat stap ik de trein uit. Twee minuten, en ik moet naar de andere kant van het station, lekker spannend. Ik ren niet. Mijn oma kan dan nog zo trots op me zijn omdat ik pas 130 kilometer gefietst heb, en beweren dat ik kennelijk echt wel conditie heb; rennen kan ik niet. Ik haast me naar het juiste peron, waar de trein natuurlijk helemaal aan het uiteinde staat. 10 seconde, 150 meter. Ik loop een stuk sneller dan gemiddeld, maar als ik halverwege ben zie ik de trein al vertrekken. Een extra half uur reistijd, waarom ook niet. Mijn ogen vallen op de tekst die op mijn tshirt staat. They that wait upon the Lord shall renew their strenght; they shall mount up with wings as eagles; they shall run, and not be weary; and they shall walk, and not faint. (jesaja 40:31) Wie heeft het t-shirt als evangelisatiemiddel uitgevonden? En waarom heb ik net vandaag dit t-shirt aan? Op het laatste weet ik het antwoord trouwens wel; doordat de wasmachine deze week kapot was: dit was mn allerlaatste schone t-shirt. Ooit gekocht op een gospelconcert, in de tijd dat ik dacht dat God me van mijn depressie had genezen en ik nooit meer ongelukkig zou zijn. Maar soms is het moeilijk je eigen kleding te geloven.
Ik ga op een eenzaam bankje zitten, en zing zachtjes mee met mijn mp3speler. And if I bleed, I’ll bleed, Knowing you don’t care. Ik heb het koud, maar doe mijn jas niet dicht. 5 minuten voor de trein komt zie ik een bekende aankomen. Het is Otto, die op mijn universiteit bezig is met zijn promotieonderzoek. Ik heb hem weleens op de soos van mijn studentenvereniging gezien, maar bijna het enige wat ik van hem weet is dat zijn sociale vaardigheden historisch laag zijn. Natuurlijk komt hij bij me staan. Ik zet mijn mp3speler uit, en we praten wat. Als de trein komt loopt hij door, naar een andere kennis die hij ook ziet, en ik stap in.
Opnieuw niets dan gedachten en muziek. Your face it haunts / My once pleasant dreams / Your voice it chased away / All the sanity in me / These wounds won’t seem to heal / This pain is just too real / There’s just too much that time cannot erase. Ik moet weer aan mijn opa denken.
Dan nog een kleine fietstocht. Dan eindelijk thuiskomen in het huis wat ik met vijf vreemden deel. 3 uur en een kwartier of 150 kilometer nadat ik in de bus stapte.
Recente reacties